«Terug naar teksten

Geschreven voor: Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn (NIZW)

Verslag van symposium ‘Aldo van Eijk, het kind en de stad’

Kinderspel als agendapunt

Hoe kunnen we kinderen meer bewegingsvrijheid en speelmogelijkheden bieden in de openbare ruimte? Over die vraag bogen zich  zo’n honderd ambtenaren, adviseurs, architecten en planologen op een symposium in het Amsterdamse Stedelijk Museum. Aanleiding vormde een tentoonstelling over de speelplaatsjes van ontwerper Aldo van Eijk in de jaren vijftig en zestig. En de presentatie van het boek Oases in het beton, met richtlijnen voor ‘een jeugdvriendelijke openbare ruimte’.

Het symposium is al een heel eind op streek als Ton Schaap, stedenbouwkundig ontwerper van de dienst Ruimtelijke Ordening van de gemeente Amsterdam, het woord krijgt. Hij zal het gaan hebben over het gemeentelijke beleid inzake speelruimte voor de jeugd. Althans, zo staat het in het programma. Dat je slecht nieuws altijd als eerste moet brengen, dat is Schaap blijkbaar bekend, gezien zijn openingszin: “Een gemeentelijk beleid omtrent speelruimte voor kinderen en jongeren is er niet. In onze dienst is daar weinig tot geen aandacht voor.”
Het is een mededeling die in dit bonte gezelschap van spel- en speelplaatsdeskundigen als een mokerslag zou moeten inslaan, maar men luistert beleefd verder. Schaap vertelt over de oostelijke eilanden en IJburg, nieuwe Amsterdamse woongebieden bij het ontwerp waarvan hij nauw bij betrokken was. “We hebben werkelijk óveral rekening mee gehouden – van parkeren tot paarplaatsen voor dieren – maar nee, het spelen van kinderen stond niet op onze agenda.” De gemeente heeft wel losse ideeën over het recreatief gebruik van de openbare ruimte, maar die zijn niet samenhangend, geeft hij toe.
Geen van de aanwezigen stelt dé vraag. Namelijk hoe het toch mogelijk is dat een gemeente als Amsterdam geen beleid heeft voor speelruimte voor kinderen. Al tientallen jaren niet. Dat niemand hier verwonderde of boze vragen over stelt, komt waarschijnlijk doordat die blinde vlek niets nieuws is voor de aanwezigen. En laten we wel wezen: het doel van deze dag is ook niet zozeer achterom kijken, maar ideeën lanceren en elkaar inspireren bij het ontwerpen van speelruimte voor kinderen.

Binnenkinderen
Toch weet Lia Karsten, auteur van het vandaag gepresenteerde boek Oases in het beton, in haar inleiding nog iets van die verbijstering over te brengen: over hoe kinderen weggedrukt zijn uit de openbare ruimte. Ze vertelt hoe ze de vorige dag met haar jongste kind naar voetbalstadion de Arena moest voor de meningokokkeninjectie. En wat een ontroerende ervaring dat was: het samenstromen van al die duizenden kinderen in die immense ruimte. Opeens zag je hoeveel het er waren. Karsten: “Die emotie raakt mensen ook als ze de foto’s van de speelplekken van Van Eijk zien. Laten we kijken of we het onzichtbare kind weer meer deel kunnen laten uitmaken van de openbare ruimte.”
Voor haar staat vast dat het ‘gebouwdenken’ dominant is. Kinderen worden vooral opgeborgen in gebouwen en huizen. Op de buitenruimte wordt enorm beknibbeld, vooral in een stad als Amsterdam. Er is dan ook een grote groep ‘binnenkinderen’, die nooit of minder dan één keer per week buiten spelen. Veel kinderen kennen de stad vooral vanachter het autoraampje of vanaf de bagagedrager van de fiets. Bij ouders is er een grote angst voor onveilige situaties: in het verkeer, maar ook in sociaal opzicht.

Totem
Bij de kwaliteit van de leef- en speelruimte voor kinderen gaat het om drie verschillende zaken, vertelt Karsten. Ten eerste om de inrichting van specifieke speel- en ontmoetingsplaatsen. Ten tweede gaat het om de ‘brede bespeelbaarheid’ van de woonomgeving. Denk daarbij bijvoorbeeld aan slootjes, bomen, muurtjes, trappen, brede stoepen en grasveldjes. Ten derde zijn de routes tussen de verschillende ‘kinderdomeinen’ belangrijk, en dan vooral de veiligheid daarvan.
Op dit symposium staan vooral de speciale speel- en ontmoetingsplaatsen centraal. Wat maakt een speelplek nou echt goed en andere veel minder? Het begint al bij de inspanning vooraf, zegt Karsten. “Vaak is er bij de indeling van een nieuwe buurt al geen rekening gehouden met speelruimte. Reserveer dus een grote plek, centraal in de wijk. Voor kinderen moet het een duidelijke, bereikbare plaats zijn. Een totempaal, zeg maar. En schakel bij de plannen ook de omwonenden in en de kinderen en jongeren zelf.”
Ze geeft in het kort de checklist waar planologen en beleidsmakers rekening mee zouden moeten houden bij de inrichting van speelplaatsen. Aandachtspunten zijn bijvoorbeeld: gevarieerde spelelementen, een inrichting die rekening houdt met verschillende leeftijden en die voor zowel jongens als meisjes aantrekkelijk is, een variatie in ‘hard’ en ‘groen’ en bescherming tegen regen, wind en zon. Ook moet er een zitgelegenheid zijn voor ouders, want ook zij moeten zich er prettig voelen. Tenslotte is het belangrijk dat er duidelijke regels zijn over wat wel en niet mag. Uit het onderzoek blijkt dat een vaste beheerder, die toezicht houdt en voor het onderhoud zorgt, ideaal is.
“Er is een nieuw elan vereist om kinderen weer een plek in de openbare ruimte te geven”, besluit Karsten , “en aandacht voor het kleine, juist bij vormgevers en beleidsmakers met groot aanzien.”

Overlast
Middagvoorzitter Jan van Gils weet het zeker: “Er is in Europa een beweging van childfriendly cities in opkomst. Ik zie het in België, Ierland, Zweden en Griekenland.”
Na deze bemoedigende opening moet panellid F. Backhuijs, oud-wethouder in Eindhoven, toch een pijnpunt inbrengen. Pogingen om de speelplaatsen hoger op de agenda te krijgen in zijn gemeente stranden maar al te vaak in discussies over de overlast en vervuiling die deze plekken teweeg zouden brengen. Vooral door vijftienjarigen en ouder. Het is een probleem dat Lia Karsten bekend voorkomt: “Heel veel overlast komt juist doordat er zo weinig permanente aandacht is voor die speelplekken. Het komt vaak doordat die ruimte niet van tevoren geclaimd is. Ook moet je de leeftijdverschuivingen,  in een buurt vóór zijn.” En ter relativering: “Mensen komen áltijd in het geweer tegen veranderingen in hun omgeving.” Dat bevestigt Ingeborg de Roode van het Stedelijk Museum: “Ook in de tijd van Aldo van Eijk werd er al geprotesteerd tegen de aanleg van speelplaatsjes.”
Veel wijken uit de jaren zestig staan nu voor een herstructureringsoperatie en een beleidsmedewerker uit Gouda ziet daar kansen: “Laten we daar creatief gebruik van maken.”
Beleidsmakers zijn wellicht gevoeliger voor andere zaken dan de speelbehoeften van kinderen. Daarom stelt een vrouw uit de zaal voor om eens uit te rekenen wat het economisch rendement op lange termijn is van een goed speelbeleid. “Denk maar eens aan al die cursussen motorische en emotionele ontwikkeling die daarmee overbodig worden.” En Lia Karsten weet dat het gebrek aan speelruimte één van de vertrekmotieven is voor jonge ouders uit Amsterdam. “Als je die categorie in de stad wilt houden, dan moet je dáár dus wat aan doen.”

Schoolreisjes
Een ambtenaar uit Amsterdam-Noord vindt dat beleidsmedewerkers te veel de neiging hebben om heel gestructureerd te denken: “Als we nu maar tien vierkante meter isoleren en er een wipkip neerzetten, dan denken we het voor elkaar te hebben. Maar moeten we niet meer oog hebben voor de plekken waar kinderen graag spelen? Bijvoorbeeld in opgebroken straten, op rommelige veldjes? Moeten we niet meer de chaos en de orde combineren?”

Het is een oproep die weerklank vindt onder het publiek. Een speladviseur uit Brabant heeft gemerkt dat kinderen tegenwoordig bang zijn om te exploreren en hij wijt dat aan een gebrek aan speelplekken die kinderen zelf kunnen inrichten, waar ze kunnen bouwen bijvoorbeeld. “Als je daar wat aan doet, kun je emotionele schade voorkomen.”
Marleen van Tilburg, ontwerpster van tuinen en speelplaatsen, roept ambtenaren op om op te houden met ‘al dat getheoretiseer’ en zélf meer te spelen. Ga eens mee op schoolreisjes of ga samen met kinderen speelplekken jureren, is haar advies. Dat geeft veel meer inzicht in de behoeften van kinderen. Een andere vrouw in de zaal vindt dat alle beleidsmakers en planologen nog eens na moeten gaan wat ze zelf vroeger zochten in het spel. Want volgens haar geldt dat nog steeds voor alle kinderen.
Het slotwoord van voorzitter Van Gils is eigenlijk vooral een oproep: “Wij moeten als speelfanaten meer de discussie aangaan met ruimtelijke planners. We hebben veel deskundigheid op het gebied van spelen en die moeten we meer operationaliseren.”