«Terug naar teksten

Geschreven voor: Uit jubileumboekje over 25 jaar opinieonderzoek bij O+S, gemeente Amsterdam.

Twee miljoen kilo poep

De grootste straatirritaties

Waar ergeren Amsterdammers zich het meest aan in de openbare ruimte, wat is ze op straten en pleinen vooral een doorn in het oog? In de loop van 25 jaar Omnibus heeft O+S ze die vraag steeds opnieuw gesteld. Over poeptrappingen, parkeerwanhoop en wildplassers.

In de jaren tachtig, toen er nog geen stadsdelen waren en het schoonhouden van de stad centraal geregeld was, liet Stadsreiniging het in elke Omnibus weer vragen: wat zijn uw grootste bronnen van irritatie in de stad? De respondenten mochten de vijf aller-vervelendste zaken kiezen uit het volgende rijtje: verkeerslawaai, auto’s op de stoep, opengebroken straten, hondenpoep, te weinig groen, parkeerprobleem, afgebroken huizen, onveiligheid, vuil op straat, verkeersgevaar en slooppanden. Wat blijkt? Jaar in jaar uit hoort alles wat met afval te maken heeft tot de ‘populairste’ irritaties, waarbij hondenpoep en losse rommel nog wel eens wisselen van eerste plaats.
Hondenpoep is dus iets om op dóór te vragen. In de enquêteursinstructie is te lezen: “Bij sommige respondenten zult u dit vieze onderwerp misschien even moeten inleiden. Dat ligt aan uw eigen inschatting.” Dan moet de enquêteur bijvoorbeeld vragen hoe alert meneer of mevrouw is voor poep op de stoep en of hij of zij er de afgelopen veertien dagen nog in getrapt is. De alertheid blijkt groot: 73 procent is altijd op z’n hoede. In de loop van de jaren tachtig neemt het aantal ‘poeptrappingen’ trouwens wel af: van 30 naar 17 procent.

Poepzuigers
Hondenpoep blijft een hardnekkig probleem en voor de oplossing is creativiteit en volharding vereist. Zo zien we begin jaren negentig opeens een vreemd type voertuig over stoep en straat zwieren, bestuurd door mannen die stoppen bij elke drol om daar met grote concentratie een zuiger op te plaatsten. Parijs ontwikkelde eerder deze ‘poepmotoren’ om de trappen van Montmartre schoon te houden en Amsterdam importeert er een aantal om uit te proberen of dit de oplossing voor de poepkwestie kan worden. Maar ongemerkt verdwijnen de poepzuigers weer uit het straatbeeld.
Wat was er mis met die ingenieuze apparaten? “Een reden waarom die proef is doodgebloed, is dat er net in die tijd betere straatveegmachines kwamen, die ook konden spoelen. Zo kwamen de drollen niet langer in de bezems van de straatvegers terecht,” vertelt Ria Janssen, voorlichter reiniging bij stadsdeel Centrum. “Verder waren de poepzuigers ook behoorlijk duur: wel 70 duizend gulden. En toen ze geen vergunning kregen om op de stoep te rijden, was het helemaal einde verhaal.”

Acht miljoen pakjes boter
Maar ook zonder de Parijse zuigmonsters is de overlast van hondenpoep in de loop van de jaren minder geworden. Dat blijkt uit de Omnibusenquêtes en dat bevestigt ook voorlichter Ria Janssen; in de binnenstad hoeft de reiniging anno 2009 veel minder uitwerpselen te ruimen.
Waar is die gunstige ontwikkeling aan te danken, zijn de hoofdstedelijke hondenbaasjes dan eindelijk zover dat ze de mest van hun huisdier netjes opruimen? Ja, maar wel dankzij strengere regels. Want de verbetering is vooral ingetreden sinds in 2007 de APV nieuwe bepalingen voor hondenbezitters bevat, met flinke boetes. Zo mogen sindsdien honden niet langer in de goot hun behoefte doen en moet de hondenuitlater ‘een doeltreffend opruimmiddel kunnen tonen aan de handhaver’. Heeft hij geen zakje bij zich, dan kost dat € 75, net als het niet opruimen van de poep. Alleen in daarvoor aangewezen gebieden mogen honden nog loslopen.
Op haar website legt de gemeente uit waarom die nieuwe regels nodig zijn: alleen al omdat er in onze stad 26 duizend geregistreerde en niet-geregistreerde honden wonen, die jaarlijks verantwoordelijk zijn voor twee miljoen kilo poep. Om een idee te geven: “Dat zijn acht miljoen pakjes roomboter.” Als de SP in dat jaar via de Omnibus aan de Amsterdammers vraagt of ze dat wel terecht vinden: dat je als hondenbezitter jaarlijks honderd euro belasting betaalt en dat je hond voor dat geld toch niet in de goot mag poepen, antwoordt 85 procent bevestigend: ja, dat is terecht.

Echt vegen
Niet alleen hondenpoep, maar al het vuil op straat scoort steeds hoog op de irritatielijstjes, al 25 jaar. Zoals in menig relatie het niet opruimen van troep tot grote irritatie kan leiden, zo geldt dat ook voor de stad als huishouden. Zwerfvuil, grofvuil en open vuilniszakken: Amsterdammers ergeren zich er groen en geel aan.
Maar als mensen rapportcijfers mogen uitdelen voor de netheid van hun eigen straat en voor de rest van de stad, valt het oordeel over de eigen leefomgeving opmerkelijk genoeg altijd milder uit. Zo geeft in 1993 maar 16 procent de eigen buurt een onvoldoende; 70 procent geeft zelfs een 7 of hoger.
De Omnibus heeft niet alleen systematisch de ergernis over vieze straten gepeild, maar ook wat er aan gedaan moet worden. Gemiddeld een kwart van de ondervraagden vindt dan dat de reinigingsdiensten een tandje moeten bijzetten en de suggesties variëren van huisvuil vaker ophalen, meer en grotere containers plaatsen en werklozen inzetten, tot de tip: “straatvegers moeten echt vegen en niet de veger achter zich aan slepen.” Boetes voor vervuiling en betere handhaving zijn ook populaire oplossingen.

Grote smoel
Een overgrote meerderheid vindt dat de bevolking natuurlijk zelf verantwoordelijk is voor de rommel. Maar ja, dan gaat het meestal over de anderen. Daarom wil de Dienst Ruimtelijke Ordening in 2006, voorafgaand aan een grote campagne over zwerfvuil, wel eens weten hoe ‘schoon’ de ondervraagden zich eigenlijk zelf gedragen. Dan geeft maar 5 procent van de Amsterdammers toe dat ze zelf wel eens afval op straat gooit. Dat flesjes op straat gooien niet mag, weet ruim 80 procent, maar van peuken, papiertjes en kauwgom blijkt dat veel minder bekend.
Heel wat maatregelen – altijd begeleid door campagnes – zijn er bedacht voor het afvalprobleem in al zijn verschijningsvormen. In 2002 komt er een boete van 46 euro op het weggooien van vuil op straat, wat bijna alle ondervraagden een goede maatregel vinden. Of het aan een tekortschietende handhaving ligt of aan de weerbarstigheid van het probleem, feit is dat er vier jaar later nog hogere boetes worden ingevoerd, begeleid door een campagne met de leus ‘Wie zijn troep op straat smijt is een hoop geld kwijt!’ Het bedrag voor een achteloos weggegooid patatbakje is dan al opgelopen tot 75 euro. Helaas voor de campagnevoerders weet een paar maanden later nog geen twintig procent van de ondervraagden de juiste bedragen te noemen voor de diverse overtredingen.
En weer wordt aan Amsterdammers gevraagd wat er moet gebeuren om de straten schoon te houden. Een van de respondenten vindt dan: “Je moet iemand er op kunnen wijzen, zonder dat diegene je een grote smoel teruggeeft.”

Primitief mannetjesgedrag
Er is meer waar inwoners zich flink aan ergeren in de stad. Het gebrek aan parkeerplaatsen bijvoorbeeld. In 2005 vinden mensen het zelfs het grootste probleem in hun buurt: dat ze er hun auto niet kwijt kunnen. Niet alleen in de drukke gebieden met betaald parkeren, maar ook in buurten ver daarbuiten.
En dan het wildplassen, een term die indertijd bedacht is door een medewerkster van O+S . In 1998 duikt het opeens in een ergernissenlijstje op als nummer één; wildplassende mannen zouden de hondenpoep zelfs van de eerste plaats gestoten hebben. Driekwart van de ondervraagden heeft er last van. Er wordt in dat jaar een speciaal symposium aan het onderwerp gewijd, op initiatief van de toenmalige wethouder Guusje ter Horst. Ze is echt boos op die publieke plassers en noemt het “primitief mannetjesgedrag, gekoppeld aan een gebrek aan normbesef.”
Er komt een Plan van aanpak wildplassen waarin wordt vastgesteld dat de bestaande boete van zestig euro omhoog moet naar honderd. En er moet – vooral ’s nachts – meer gecontroleerd worden. Verder wordt de suggestie gedaan dat wildplassers voor straf urinoirs moeten schoonmaken.

Opgebroken straten
In Amsterdam wordt altijd wel ergens aan de weg, het riool of de trambaan gesleuteld, om over de aanleg van een metrolijn nog maar te zwijgen. Of de inwoners veel last hebben van alle wegopbrekingen? Men merkt het op, ergert zich er soms aan, maar echt last hebben de meeste mensen er niet van. Door de bank genomen zien ze wel de voordelen op de lange termijn. Je fietst of rijdt een keer tegen een opbreking aan en de volgende keer neem je een andere route.
Die berustende houding gaat geleidelijk veranderen in de nieuwe eeuw. Nog steeds hebben acht van de tien mensen begrip voor de wegwerkzaamheden, maar in 2004 vindt toch driekwart van de bewoners dat de stad op te veel plekken tegelijk openligt. Voor ondernemers is het dan al ergernis nummer één.
Geleidelijk neemt in de volgende jaren het draagvlak voor wegopbrekingen en verkeersomleidingen verder af. In 2005 staat het op de tweede plaats van meest genoemde ergernissen.