«Terug naar teksten

Geschreven voor: JeugdenCo, voor professionals in de jeugdzorg

De ‘pedagogische huisarts’ komt eraan

Download artikel als PDF

Eén vaste hulpverlener die zorgt voor snellere hulp, dichter bij het gezin. Daar moet de generalistische jeugdzorgwerker voor gaan zorgen. Het heeft veel voordelen, maar wat moet deze duizendpoot niet allemaal in huis hebben?

DOOR SYLVIA VERHULST

Het begon allemaal met die jongen – laten we hem Marco noemen – die al een heftige geschiedenis achter zich had. Hij had geen ouders, wel een zus en al meer dan tien hulpverleners versleten, steeds weer vanuit een ander programma. Hij verhuisde van residentieel naar ambulant en vice versa.

Arend Rietveld van Spirit in Amsterdam: “Toen werd hier gezegd: misschien is het goed om er als proef eens één hulpverlener op te zetten. Omdat ik Marco al kende, werd mij gevraagd om als jeugdmaatschappelijk werker met hem en zijn zusje te gaan werken. Sindsdien ben ik hun vaste hulpverlener en houd ik de algemene lijn in de gaten. De kinderen kampen allebei met een heftige problematiek en zijn al meerdere keren gesloten geplaatst. Als dat gebeurt verandert mijn rol natuurlijk, maar ook dan blijf ik intensief contact met ze houden.”

Uitproberen

Het was ook voor Rietveld wennen. Want hij moest constant afwegen: wat kan ik zelf en waarvoor moet ik gespecialiseerde hulp inschakelen? “Nee, ik heb voor deze aanpak geen cursus gevolgd, maar ik kreeg wel een orthopedagoog toegewezen die me hierbij al die tijd ondersteund heeft. We hebben samen de manier van werken bedacht; het was ook een beetje uitproberen.”

Het grootste verschil met de ‘oude’ aanpak, waarbij hij als hulpverlener meestal niet meer dan drie maanden met een cliënt werkte, vindt Rietveld het besef dat je langere tijd met iemand doorgaat. “Als je vroeger een zorgmelding deed, dan zette dat soms kwaad bloed bij een cliënt, maar daar kon je wel aan voorbijgaan omdat je dan toch uit beeld verdween. Nu bedenk je: hoe ga ik die relatie voor langere tijd opbouwen en hoe houd ik die goed, ook als hij gedwongen geplaatst wordt? Dat is een mooie uitdaging; je kunt niet meer alleen zijn vriendje zijn.”

Inmiddels heeft Rietveld geleerd wat daarbij helpt. “In een vroeger stadium benoemen wat je niet bevalt aan zijn gedrag en hem confronteren met de mogelijke consequenties daarvan. Zodat hem die niet pas in de rechtszaal duidelijk worden. Het is ook mooi als je daarbij samen kan optrekken met de voogd. Tijdigheid en duidelijkheid zijn dus allebei heel belangrijk.”

Dat het hem gelukt is om het vertrouwen van Marco te houden, bleek volgens Rietveld wel toen die weggelopen was uit de gesloten inrichting. “Alleen al door het feit dat die jongen zijn telefoon opnam toen ik hem belde en dat hij met me wilde afspreken, getuigt van zijn vertrouwen in mij.”

De afgelopen tijd zijn er bij Spirit meer pilots geweest met jeugdmaatschappelijk werkers. Per 1 januari zullen alle teams van ambulante hulpverleners omgevormd zijn tot buurt- en streekteams waarin 220 jeugdmaatschappelijk werkers op deze manier aan de slag gaan.

Gestoord

Niet alleen bij Spirit, maar overal in het land experimenteren jeugdzorginstellingen al enige tijd serieus met de aanpak waarbij één vaste hulpverlener een kind en het gezin begeleidt. Niet voor even, maar voor zolang als dat nodig is. Een eerstelijns hulpverlener die dicht op het gezin staat, die eerst kijkt wat cliënten en hun omgeving zelf kunnen, die inspeelt op de eerste nood en die zo nodig specialistische hulp inschakelt maar ook dan de regie houdt. Iemand die er ook is voor de nazorg. Of ze nu gezinscoach, gezinsmaatschappelijk werker, gezinsmanager of jeugdmaatschappelijk werker heten, het gaat steeds om generalisten: professionals die breed inzetbaar zijn.

Het is opmerkelijk dat over de noodzaak van zo’n professional een grote eensgezindheid bestaat. Of je het nu Kamerleden vraagt, wetenschappers, bestuurders of de hulpverleners zelf: iedereen vindt het hard nodig dat zo’n eerstelijns duizendpoot er komt.

Waar komt die eensgezindheid vandaan? Margot Scholte, adviseur beroepsontwikkeling bij Movisie en lector maatschappelijk werk aan Hogeschool Inholland, hoeft daar niet lang over na te denken: “Omdat we gestoord worden van alle versnippering en overlap in de zorg! Voor allerlei doelgroepen is er een aanbod dat elkaar ook nog eens sterk overlapt. Tegelijkertijd weten al die specialisten van elkaar niet wat ze doen. Het moet simpeler.”

Tom van Yperen, expert bij het Kenniscentrum van het Nederlands Jeugdinstituut verklaart de roep om generalisten ook uit het gegeven dat het te lang ontbroken heeft aan een eerstelijns jeugdzorg. Die wordt nu pas opgebouwd door de Centra voor Jeugd en Gezin. Van Yperen: “Aan het front moet er meteen een goed zorgaanbod zijn en daarom moeten er dus echte generalisten werken. Niet dat er na eindeloze indicatiestellingen eindelijk hulp komt, als een konijn uit de hoge hoed.”

 

Specialisten

Er blijven natuurlijk altijd cliënten die gespecialiseerde hulp nodig hebben, daar zijn de deskundigen het over eens. Maar over de hele linie zullen er meer generalisten en minder specialisten nodig zijn. Welke instellingen in het nieuwe stelsel de echt specialistische  zorg gaan verlenen, moet zich de komende jaren gaan aftekenen. Genoemd worden de residentiële instellingen, de jeugdreclassering, de gezinsvoogdij en de AMK’s. Welke positie het Bureau Jeugdzorg gaat innemen, is ook nog ongewis.

Van Yperen denkt dat veel vragen die nu bij GGZ-instellingen binnenkomen, straks door jeugdzorggeneralisten kunnen worden opgelost. Toch denkt hij dat het niet alleen kommer en kwel is voor de specialisten: “Het wordt voor hen interessanter omdat ze niet meer zoveel kleine dingetjes en snottebellen hoeven op te lossen, maar bezig kunnen zijn met waarvoor ze hebben doorgeleerd.”

 

Pedagogische huisarts

De verwachtingen van de generalistische jeugdzorgwerker zijn hooggespannen. Want wat moet deze generalist allemaal niet in huis hebben?  Margot Scholte, die zelf onderzoek doet naar de hulpverlener als generalist, somt op: “Je moet een goede netwerker zijn, makkelijk het vertrouwen van mensen kunnen winnen en daadkrachtig zijn. Je moet zelf lichte interventies kunnen plegen en met het hele systeem rond een gezin kunnen werken. Je moet ook een soort informele leiderschapsrol op je kunnen nemen. Dat vereist allemaal zeer goeie contactuele vaardigheden. En voordat de zaken echt uit de klauwen dreigen te lopen, moet je een specialist in kunnen schakelen. Je moet al die verschillende domeinen kunnen integreren: het sociaaljuridische, het pedagogische en het psychologische. Ik zie zo’n ervaren en deskundige generalist dan ook als een specialist op zich.”

Van Yperen noemt de generalist graag “een pedagogische huisarts, met minimaal hbo.” Minimaal, omdat hij eigenlijk vindt dat bij de beslissing over het al dan niet inzetten van gespecialiseerde hulp een gedragswetenschapper betrokken moet zijn. Als de hulpverlener zelf niet dat niveau heeft, zou hij daar een gedragswetenschapper bij moeten betrekken. “Die kan dat doen op een simpele manier, die prettig ondersteunend is voor zowel de cliënt als de generalist.”

 

Alle levensfasen

Bij Spirit ligt de lijst al klaar van de mensen die als jeugdmaatschappelijk werker toegevoegd zullen worden aan de buurt- en streekteams. Wat voor eisen stelt de organisatie aan deze hulpverleners?

Mariënne Verhoef, bestuurder bij Spirit: “Als ze bij een gezin komen, moeten ze snel kunnen aanvoelen wat er aan de hand is. Nu Bureau Jeugdzorg niet meer uitgebreid de eerste diagnose stelt, moeten de jeugdmaatschappelijk werkers zelfstandig tot een oordeel kunnen komen. Zo nodig vragen ze de gedragswetenschapper uit hun team om advies.  Maar de jmw’er blijft verantwoordelijk en bekijkt of er aanvullende diagnostiek gedaan moet worden door een specialist.”

Verhoef verwacht dat deze medewerkers ook creatiever moeten zijn dan vroeger. “In het oude systeem kon iedereen zich achter elkaar verschuilen. Hoe vaak hoorde je mensen niet zeggen: Ik doe dit, maar eigenlijk zou ik willen dat dat of dat ging gebeuren. Nu zeggen we: waarom doe je dat dan niet?”

Een andere vereiste is dat de hulpverlener het hele gezin moet kunnen begeleiden en dus verstand moet hebben van alle levensfasen. Verhoef: “Je moet dus behalve naar het kind ook heel goed kijken naar wat er met de ouders en de hele leefomgeving aan de hand is.”

 

Eropafhouding

De gedroomde generalist is dus een analytisch vaardige, doortastende, creatieve, op vele terreinen kundige, zelfstandige, sociaal vaardige netwerker en regisseur. Maar hoe krijgen we deze schapen met vijf poten? Zijn de huidige opleidingen voldoende gericht op die competenties?

Daar heeft Margot Scholte haar vraagtekens bij. “Ik vind dat er veel ouderwets wordt opgeleid. Zelf probeer ik de handen op elkaar te krijgen voor een nieuw landelijk profiel. Want volgens mij moet het anders. De opleidingen zijn vaak nog te sterk gericht op een professional die in de spreekkamer gespreksinterventies uitvoert. Maar de professional die we nu nodig hebben moet zich meer richten op kwetsbare groepen, vaak met multiproblematiek. Dat betekent dat je hulpverleners veel meer een eropafhouding aanleert, en gesprekstechnische en praktische vaardigheden.”

Scholte ziet wel wat voorzichtige veranderingen bij de opleidingen, maar het probleem is dat de huidige beroepenstructuur – en daarmee ook de structuur van opleidingen – niet meer past bij wat er nu nodig is. “Als hogeschool worden we nu – vanwege de accreditatie – gedwongen om de opleidingen SPH en MWD weer flink uit elkaar te trekken. Dat is een idiote beweging omdat ik overal in de praktijk zie dat die functies juist naar elkaar toegroeien!”

Mensen die kersvers van de opleiding komen, zullen dus nog onvoldoende zijn toegerust om de verantwoordelijkheid van de generalist te dragen, zo is de algemene verwachting. Margot Scholte: “Sommige mensen hebben van nature al sterk die eropafhouding, maar als je diepgang in je interventies wilt brengen heb je meer ervaring en kennis nodig.”

De hulpverleners die nu als generalist gaan opereren, moeten het behalve van hun ervaring ook  hebben van extra scholing in de praktijk. Die vindt momenteel ook op grote schaal plaats: combinaties van trainingen, learning on the job, supervisie, coaching en leren van je team.

 

Gewild

Het idee van de generalistische hulpverlener wordt dus breed gedragen, maar wat vinden de jeugdzorgwerkers er zelf van? De functie mag dan veeleisend zijn, hij is behoorlijk gewild, zo blijkt uit het selectieproces bij Spirit. Daar combineerden jeugdwerkers jarenlang groepswerk met ambulante taken. Maar nu worden die twee werkzaamheden uit elkaar getrokken: of je bent jeugdmaatschappelijk werker en breed ambulant bezig of je staat alleen nog op de groep. Sommige medewerkers die alleen nog groepswerk mogen doen, vinden dat jammer. Juist de combinatie van werken in de groep en bij gezinnen thuis sprak hen aan.

Michiel van der Stam, zelf een van de gelukkigen die jeugdmaatschappelijk werker mag worden, begrijpt die teleurstelling wel: “Het groepswerk wordt toch als zwaar ervaren en als minder uitdagend dan ambulant werk. Al zijn er wel collega’s die op de groep staan juist leuk vinden.”

Wat hem zelf aantrekt in de nieuwe functie? “Het pionieren en het coördineren. Verder is straks mijn doelgroep breder dan nu, want je krijgt met alle gezinsleden van een jongere te maken.”

Bestuurder Mariënne Verhoef heeft ook de indruk dat degenen die bij de pilot betrokken waren, het spannend en leuk vinden. “Ze hebben het idee dat ze meer grip krijgen op het geheel en meer ruimte om dingen te regelen.”

Dat geldt ook voor Rietveld, de hulpverlener uit het begin van dit verhaal. Door die langetermijnaanpak kent hij ‘zijn’ jongeren op een gegeven moment door en door . “Dat is zoveel fijner dan wanneer je steeds weer losse trajecten hebt met kinderen van wie je elke keer opnieuw het vertrouwen moet winnen. En als je een goeie band hebt opgebouwd met de ouders, bellen die je later ook nog wel eens als ze ergens hulp bij nodig hebben. Omdat ze je kennen.”

 

http://www.sylviaverhulst.nl/wp-content/uploads/2011/12/Jeugdenco-2011-7.pdf