«Terug naar teksten

Geschreven voor: Beroep: Docent, maart 2008

Beginnende docenten zonder begeleiding in het diepe

Sylvia Verhulst

Download artikel als PDF

Op papier is het meestal wel goed geregeld, maar in de praktijk worden nieuwe collega’s vaak aan hun lot overgelaten. Dat blijkt uit een inventarisatie van Beroep: Docent. Geen inwerkprogramma, een mentor zonder tijd en modulen zonder inhoud: roc’s en hogescholen verwachten wel heel veel van het eigen initiatief van starters. Alleen sterke types overleven de sprong in het diepe. ‘Op de middelbare school waar ik werkte, was de begeleiding een stuk beter geregeld dan hier.’

Het is niet gering wat er afkomt op docenten die net beginnen op een roc of hogeschool. Dat blijkt wel uit de verhalen van twaalf starters en vijf coaches die we spraken voor dit artikel. De nieuwe leraren gaan enthousiast van start, maar dan blijkt de inhoud van de vakken die ze moeten geven niet duidelijk en de plaats daarvan in het curriculum evenmin. Zij-instromers – meestal zonder didactische ervaring – worstelen bovendien met de vraag hoe ze die stof een beetje leuk overdragen en hoe ze hun studenten kunnen activeren. En dan het rumoer in de klas, wat doe je daaraan en wat te doen met ongemotiveerde deelnemers? De starters zijn soms ook geschokt door het lage niveau van hun studenten.
En dan de schoolorganisatie. Voor bijna alle starters is die uiterst ondoorzichtig. “Je loopt aan tegen procedures, afkortingen, jargon, overgangsregelingen, stageregelingen. Dat duizelt je allemaal”, verzucht een starter in het hbo. Ondertussen moet je ook nog leren om alle verschillende taken die je hebt, met elk hun eigen dynamiek, tegelijk op de rails te houden.
Bij dat alles kunnen die beginnende docenten wel wat steun gebruiken, zou je denken. Hoe verloopt die begeleiding in de praktijk? Twee jaar geleden is dat onderzocht voor zowel de bve-sector als het hbo. De conclusie was dat de meeste hogescholen en roc’s op papier wel het een en ander geregeld hebben – een mentor, introductiebijeenkomsten, begeleide intervisie of een coach – maar dat daar in de praktijk onvoldoende van terecht komt en dat de kwaliteit van het aanbod beneden de maat is. De goede intenties gaan nogal eens ten onder in de waan van de dag. Of, in de taal van die onderzoeksrapporten: “Er is nog onvoldoende sprake van een krachtige leer-werkomgeving voor startende docenten.”

Coach
De bel- en interviewronde die wij hielden voor dit artikel leverde vergelijkbare uitkomsten op, maar maakte ook duidelijk dat er grote verschillen zijn. Opmerkelijk is dat er ook binnen een en dezelfde hogeschool of roc grote verschillen kunnen zijn op dit punt. Zo heeft het Instituut voor Media en Informatie Management (MIM) van de HvA al jaren een uitgebreid introductieprogramma voor starters. De starters op de afdeling vo/bve van de EHvA, de lerarenopleiding van de HvA, moeten het echter met heel wat minder begeleiding stellen, zoals ook blijkt uit het verhaal van Hessel Nieuwelink. Het instituut kent geen standaard inwerk- of begeleidingstraject. Pas dit jaar is er voor het eerst een coach die een intervisiegroepje begeleidt: Max Carbaat, een ervaren docent die daar zelf het initiatief voor nam. Hij dringt er al jaren bij het management op aan: “Pak de begeleiding van docenten aan en geef die een plek binnen het totale personeelsbeleid.”
Want Carbaat merkt dat de intervisie die hij geeft, niet is ingebed in de organisatie. “Deze vier deelnemers hebben op papier een begeleider in hun team, maar die persoon spreken ze nauwelijks. En soms zit een begeleider zó vast in zijn denkwijze dat de nieuwe docent er niets mee kan. Daar komt bij dat de roosters geen rekening houden met intervisie zodat het heel moeilijk is om iets af te spreken. Maar ik heb geen zicht heb op het geheel binnen dit instituut. ”
Is het niet verbazingwekkend dat uitgerekend een lerarenopleiding haar eigen starters zo laat zwemmen? Carbaat erkent het volmondig: “Wij zijn net als die huisarts die veel doet om zijn patiënten gezond te houden maar zijn eigen gezondheid verwaarloost. Ja, er moet hier nog een hoop gebeuren, ook om de uitval van docenten te voorkomen.”

Chaos en hectiek
Er wordt veel verwacht van het initiatief van de beginnende docent zelf. Zij krijgen op het hart gedrukt: “Als je iets te vragen hebt, doe het gerust.” Dat werkt natuurlijk alleen als je genoeg kans krijgt om je mentor en collega’s te spreken. En als duidelijk is wie je waarvoor moet hebben. Dat is vaak niet het geval. Juëlla Plet (ROCvA), overigens heel tevreden over haar inwerktijd, vertelt: “Wat ik wel miste was informatie over hoe alles werkt in deze organisatie. Je hebt geen idee bij wie je waarvoor terecht kunt en wie je waarop kunt aanspreken.”
Vooral de zij-instromers die vers uit het bedrijfsleven de school binnenkomen, verbazen zich over de chaos, hectiek en inefficiënte wijze van werken. Nicole de Regt: “De organisatie van de school is zó anders dan ik gewend was. Ik kwam uit een projectorganisatie waar de verantwoordelijkheden duidelijk waren vastgelegd, hier is dat niet zo.”
Een ander probleem waar nieuwelingen tegenaan lopen, vooral in het mbo, is dat ze zo weinig kunnen teruggrijpen op bestaand lesmateriaal. Er zijn collega’s die hun zaakjes goed op orde hebben en het vak zó over kunnen dragen, maar vaak moeten starters de lesinhoud en ook de toetsen zelf bij elkaar scharrelen. Nicole de Regt: “Ik vroeg me af: waarom zijn er geen miljoenen voorbeelden van ervaren docenten van hoe ik dat vak kan aankleden? Eindeloos heb ik gezocht op internet. Ik heb een halve baan, maar ik was de hele week bezig. Kan er niet per vak een bibliotheekje aangelegd worden van lesmateriaal en tentamenstof waar je op terug kunt grijpen?”

Valkuilen
Veel instellingen geven zij-instromers pas een vaste aanstelling als ze een speciale pedagogisch-didactische cursus gevolgd hebben, verzorgd door een extern instituut. De meeste starters komen er pas in hun tweede jaar aan toe om zo’n cursus te doen, soms nog later. Dat heeft ook voordelen, vindt  Jos Gelissen (27) docent ict-techniek aan de Hogeschool Zuyd: “Ik zie nu de noodzaak om dingen waar ik tegenaan loop, te doorgronden. Nu kan ik ook gerichter vragen stellen.” Naast vaste onderdelen bieden die cursussen maatwerk en de mensen die wij spraken hebben er veel aan.
Natuurlijk hebben niet alle starters het even zwaar in het begin. Jonge, pasafgestudeerde docenten hebben het sowieso makkelijker. Ze hebben in hun eigen opleiding al ervaring opgedaan met competentiegericht werken en staan nog dicht bij de belevingswereld van de studenten. Daarbij gaan in het hbo nieuwe docenten opvallend vaak lesgeven bij de opleiding waar ze zelf op hebben gezeten. Zij kennen het instituut dan al en ook dat helpt.
Voor de nieuwelingen die elders hebben lesgegeven, is de valkuil dat zij niet als starter beschouwd worden in hun nieuwe setting. Ze hebben immers al ervaring? Maar vaak is dat met een andere doelgroep, met andere lesstof en in een ander type organisatie. Ook prille docenten die eerder op dezelfde school stage liepen, worden niet altijd als beginner beschouwd en krijgen geen inwerkprogramma of mentor.
Coach Yoop van Hoof van het ROCvA in Hilversum weet dat het ook een valkuil is voor de ervaren docenten zelf: “Degenen die denken dat ze het al kunnen, krijgen het vaak het moeilijkst.”

Extra tijd
Hoeveel startende docenten afhaken, is moeilijk te achterhalen. Maar het gebeurt wel, zo blijkt uit de verhalen van de geïnterviewden. Ook Mieke Trienekens, die op het Regio College volledig is vrijgesteld om de begeleiding van docenten op te zetten, maakt geregeld mee dat docenten het niet trekken. “Soms denk ik: jij zou het hartstikke goed kunnen als je wat meer begeleiding zou krijgen.”
Maar het is niet overal kommer en kwel. Veel instellingen zijn met het oog op de dreigende docententekorten druk bezig om de begeleiding van starters structureel aan te pakken. En we spraken ook starters die tevreden terugkijken op hun inwerktijd. Maar dat zijn wel de mensen die de kans kregen om de kunst van het lesgeven af te kijken van doorgewinterde collega’s en die goed begeleid zijn en extra tijd kregen om zich in te werken.

Zij-instromer

‘Wat een lawaai in de klas, is dat normaal?’

Naam:              Nicole de Regt (41)
Doceert:           recht
Bij opleiding:    administratief juridische dienstverlener
Instelling:         ROCvA, werkmaatschappij Gooi en Vechtstreek
Sinds:                ruim een jaar
Daarvoor:          20 jaar verschillende functies bij rechtbanken

“Inwerken? Ha, ik moest meteen voor de klas en had geen idee wat deze kinderen moesten kennen en kunnen. Niemand die me dat kon vertellen, ik had zelfs geen sleutel van de klas!” Nicole de Regt vertelt schaterend, maar nog steeds wat verbijsterd, hoe hectisch haar start op school was. Al jaren had ze de wens om het onderwijs in te gaan toen ze op het sportveld van haar kinderen een vader sprak die op het roc in Hilversum werkte. Die zei: “Kom eens bij ons kijken, wij nemen vaak mensen aan uit de praktijk.” Van rustig rondkijken kwam het echter niet want toen men er lucht van kreeg dat ze recht zou kunnen geven, kwam de vraag of ze meteen wilde beginnen; er was al maanden een vacature. “Ik zei nog: ik ken deze doelgroep helemaal niet, zal ik niet eerst wat rondkijken hier? Maar ze hadden me hard nodig dus ik begon meteen.”

In het begin was het een kwestie van overleven. “Het was allemaal zó onwennig. Ik dacht: wat is het eigenlijk een lawaai in de klas, is dat normaal? De eerste les heb ik er meteen al een meisje uitgestuurd dat zich misdroeg. Over die dingen wilde ik gewoon eens met iemand praten, maar niemand had tijd. Mijn mentor was heel bereidwillig, maar ook hij had het veel te druk. Dat was de grootste cultuurschok: dat er nergens tijd voor is, ook niet om over iets na te denken. De docenten rennen van het ene naar het andere lokaal en op de gang duwen ze nog even snel een boterham tussen hun kiezen.” De enige collega met wie ze eens wat uitwisselde in die begintijd had ook een moeilijke start gehad. “Zij vertelde dat ze in het begin misselijk boven de wc-pot hing en dacht: waarom ben ik dit gaan doen?”
Amper begonnen, zag ze in het rooster staan dat ze nog een vak moest geven: BOR. “Ik had geen idee wat het was. Mijn ene collega dacht dat het om een introductie in bedrijfsorganisaties ging en een ander ‘iets met sociale vaardigheden’. Ook voor dat vak was er geen boek. Toen heb ik tegen de opleidingsmanager gezegd : ‘Jullie weten niet eens wat ik moet geven, hoe kan ik zo werken?’ ‘Welkom in de wereld van het onderwijs’, zei die toen.”
Maar opeens was daar het aanbod van Yoop van Hoof, een speciale coach voor alle zittende en startende docenten van deze werkmaatschappij. Twee maanden na haar start had ze de eerste van  vier gesprekken met hem. “Heel fijn vond ik dat. Eindelijk iemand die tijd had om naar mijn verhaal te luisteren en mij hielp om dingen in een ander perspectief te zien en te relativeren.” Van hem leerde ze ook hoe ze een les kon indelen en variatie in werkvormen kon aanbrengen. “Het heeft wel een jaar geduurd voordat ik mijn draai vond en ik vind het nog steeds heel hectisch, maar ik ben overeind gebleven en doe nu werk dat ik erg leuk vin

Net afgestudeerd

’Ik legde de lat zo hoog dat ik er niet meer bij kon’

Naam:                    Mieke Jager (27)
Werkt als:             instructeur praktijkonderwijs, studieloopbaanbegeleider, tutor en docent
Bij:                         Media en Informatie Management (MIM) van de HvA
Sinds:                    anderhalf jaar
Daarvoor:             student aan dezelfde instelling

Er zat maar één zomervakantie tussen haar afstuderen aan het MIM en haar start bij diezelfde opleiding als instructeur praktijkonderwijs. Mieke Jager: “Het is wennen, van student naar docent, maar ik kende de opleiding en de docenten al, dat scheelde. ” Pasafgestudeerden inzetten in het onderwijs is op het MIM een manier om de enorme toestroom van propedeusestudenten aan te kunnen. Twee jaar draaien deze ‘instructeurs praktijkonderwijs’ (ipo) mee en dan moeten ze vertrekken, om ervaring op te gaan doen in de beroepspraktijk.

Het mag dan een startersfunctie zijn, toch werden Mieke en de andere ipo’s door de docenten als volwaardige collega’s gezien, zo is haar ervaring. En ze kreeg hetzelfde inwerkprogramma als alle nieuwe docenten. “Aan het begin van het studiejaar kregen we, voordat de studenten kwamen, een hele introductieweek. Dat was een gevarieerd programma over doceren in het hbo en hier op het MIM, met rollenspellen, presentatietechnieken, hoe geef je hoorcollege, hoe geef je klassikaal les, wat is je taak als tutor en loopbaanbegeleider. Maar er werd ook praktische informatie gegeven over de organisatie van het instituut en de inzet van ict.”
Ze is uiterst tevreden over de begeleiding die ze kreeg en nog steeds krijgt: “Ik heb een profielmanager en een mentor die ik altijd kan raadplegen en ook mijn collega’s kan ik alles vragen. We hebben ook teamvergaderingen en studiedagen waarin we uitgebreid evalueren en bespreken wat er beter kan. Ja, ik heb voldoende gelegenheid om mijn collega’s te spreken.”
Ordeproblemen had ze niet, maar wat ze wel moeilijk vond was dat je zo flexibel moet zijn. “Het eerst uur heb je dit, het tweede dat, je moet steeds omschakelen en alles goed voorbereiden en plannen. Dat heb ik wel aan mijn mentor gevraagd: hoe je die timemanagement doet.”
Na het eerste jaar werd ze meer relaxed. “Ik was best perfectionistisch. Het is toch je eerste baan, je oud-docenten kijken mee en er wordt van alles van je verwacht. Dus leg je de lat zo hoog dat je er niet meer bij kunt. Nu kan ik dat veel makkelijker loslaten. Alles gaat beter: niet alleen de les voorbereiden, maar ook mijn eigen invulling eraan te geven en mijn eigen stijl toepassen.”

 Nieuw maar ervaren

’Dit instituut is niet ingesteld op nieuwe mensen’

Naam:                   Hessel Nieuwelink (27)
Werkt als:             lerarenopleider bij maatschappijleer
Bij:                         Educatieve Hogeschool van Amsterdam (EHvA, onderdeel van HvA)
Sinds:                     Vorig jaar een dag per week, nu fulltime

Daarvoor:             vijf jaar docent in het voortgezet onderwijs

Hij heeft dan wel een hele tijd zitten mopperen op de organisatie, zegt Hessel Nieuwelink aan het eind van het interview, maar laat duidelijk zijn dat hij zijn werk erg leuk vindt en dat hij reuze blij is met zijn collega’s. “Als ik naar huis fiets denk ik altijd: wat heb ik toch een leuke baan!”
Hij is geen beginnende leraar – hij stond al vijf jaar op een middelbare school voor de klas – maar toch voelt Nieuwelink zich bij de tweedegraads lerarenopleiding wel degelijk een starter. “Ze denken al gauw dat ik een bepaald vak wel kan doen, maar eigenlijk zou ik daar wat meer voorbereidingstijd voor moeten krijgen dan anderen die zo’n vak al twintig jaar geven. Op de middelbare school waar ik werkte was dat beter geregeld dan hier.”
De collega’s beseffen niet hoeveel zaken die zij vanzelfsprekend vinden, dat niet zijn voor iemand die net binnenkomt, merkt hij. ”Zo wordt hier aan het begin van het studiejaar niet besproken: wat gaan we dit jaar doen – want dat is immers wel bekend. Nee, de vraag is wat gaan we dit jaar anders doen. Met als gevolg dat ik op een vergadering zit waar over dingen gepraat wordt die voor mij volkomen onbegrijpelijk zijn. Nee, dit instituut is niet ingesteld op nieuwe docenten.”
Dat komt, denkt hij, doordat bij maatschappijleer voor het laatst begin jaren negentig een nieuwe docent is aangenomen. “Die opleiding werkt dus al zeventien jaar met dezelfde mensen. Als ik daar, net nieuw, plotseling lessen moet overnemen van een zieke collega, zoals vorig jaar gebeurde, moeten er bellen gaan rinkelen. Dat is niet gebeurd. Bij mij ook niet. Ik had immers al leservaring en ach, ik doe het wel. Maar zo gaat dat te vaak in het onderwijs: ik doe het wel.”
Dit jaar is er voor de nieuwe docenten voor het eerst begeleiding. Een ervaren docent geeft vier starters intervisie (waarover elders in het artikel meer). Heel fijn, vindt Nieuwelink, maar toch kan deze coach hem met veel dingen niet helpen. “Ik moet weten hoe het curriculum eruit ziet en wat wanneer waarom behandeld wordt. Natuurlijk staat er wel iets op papier, maar als je de terminologie en afkortingen niet kent, en de bronnen niet weet te vinden, dan is het allemaal heel ondoorzichtig.”
Je moet iemand op de werkvloer hebben die tijd voor je heeft, vindt hij. “Officieel heb ik een mentor maar ik weet niet eens wie dat is. Toen ik vorig jaar begon, werd ik vooral ondersteund door de collega’s uit mijn team, hoewel ze het daar eigenlijk te druk voor hadden. Ze waren heel bereidwillig, maar als je ziet dat iemand tot half negen overwerkt, voel je toch schroom om dingen te vragen.”

Tips* voor beginnende docenten:

  1. Vraag al tijdens je sollicitatiegesprek om een inwerkprogramma en een mentor die echt tijd voor je heeft.
  2. Leg de lat niet te hoog. Gun jezelf de tijd om te leren.
  3. Ga kijken bij ervaren collega’s in de les. Maar pas op: imiteer niet het kunstje van een ander en zoek je eigen stijl.
  4. Concentreer je in het begin op het lesgeven en neem niet te veel extra taken op je. Weet wat die taken inhouden voordat je ‘ja’ zegt.
  5. Durf feedback te vragen: aan je mentor, je naaste collega’s en je leidinggevende.
  6. Wees kritisch op de organisatie, zeker als daar al lang dezelfde mensen werken.
  7. Zoek contact met andere beginnende docenten (intervisie).

Tips voor het management:

  1. Maak de professionalisering van starters tot een integraal onderdeel van het strategisch beleid van de instelling en zorg voor een introductieprogramma, met ruimte voor maatwerk.
  2. Geef nieuwe docenten in verhouding minder lesuren, want zij hebben meer tijd nodig om hun lessen voor te bereiden en zich in te werken.
  3. Zorg dat zij een mentor hebben op de werkvloer en geef ook deze persoon een serieus aantal uren voor die begeleiding. Let er bij de roostering op dat ze elkaar kunnen spreken.
  4. Zie erop toe dat het curriculum, het lesmateriaal en de toetsen per vak goed gedocumenteerd worden en toegankelijk zijn voor nieuwe docenten. Dan hoeven zij niet opnieuw het wiel uit te vinden.

*Genoemd door de geïnterviewde starters en coaches