«Terug naar teksten

Geschreven voor: het Parool

‘Veel studenten zijn zo moe dat ze niet door kunnen’

Dokter Frans Meijman neemt afscheid

Vele generaties studenten heeft Frans Meijman in zijn spreekkamer aan zich voorbij zien trekken. Met alledaagse kwalen, maar ook met klachten die horen bij op eigen benen staan, seks, liefdesverdriet en studieperikelen. Vorige week nam hij afscheid als studentenarts. Maar de extreme moeheid onder studenten, die blijft hem bezighouden.

Sylvia Verhulst

Wat voor dokter hij eigenlijk was, is de vraag. “Ik ben duidelijk, eerlijk en gedecideerd. Maar ik houd ook rekening met de beleving van de patiënt. En ik heb een relativerende kant, met humor en cynisme. Er waren patiënten die van mij in de war raakten. Die stelden mijn directheid en het appèl wat ik deed op hun eigen verantwoordelijkheid, niet op prijs.”
De medische publieksvoorlichting – zijn vakgebied als hoogleraar – zit hem in het bloed, want hij mocht zijn patiënten graag de achtergronden van hun kwaal of klacht uitleggen. “Een goeie dokter is ook een docent”, vindt hij. “Oké, mijn uitleg was niet aan iedereen besteed, maar niet omdat het ze boven de pet zou gaan. Want medische zaken zijn nóóit ingewikkeld. Dat is een mythe die vooral dokters graag in stand houden. Alles valt uit te leggen, als je maar de tijd en de moeite neemt.”
Meijman, tengere gestalte, priemende ogen, een doordringende stem, zo nu en dan een spottend lachje, is op deze winterdag slechts gekleed in een dun overhemd terwijl het raam openstaat. Het gesprek is op zijn kamertje op de VU, waar hij vanaf deze maand voltijds hoogleraar is Hij geeft toe: het is een grote overgang van die riante spreekkamer in hartje Amsterdam naar deze bijna gevangenisachtige cel, uitkijkend op een binnenplaats. Toch kiest hij nu met overtuiging voor de wetenschap, hoezeer hij zijn patiënten ook zal missen.
Toen hij op zijn zevenentwintigste begon als studentenarts, was hij zelf nog maar net volwassen. “’s Avonds stond ik naast studenten te dansen in de disco en overdag hoorde ik op het spreekuur al die problemen aan die ik zelf nog maar net achter de rug had. Onzekerheid, het gestoei met relaties, daar kon ik me nog heel veel bij voorstellen. Maar gaandeweg werd ik meer de wijze vader en minder de slimme broer.”
Zelf van de herenliefde was hij een ‘klantenbinder’ voor homo’s. Maar niet voor allemaal. “Sommigen vonden mij te streng. Veel mensen hebben behoefte aan een koesterende dokter, maar zachte heelmeesters maken stinkende wonden. Daar ben ik altijd diep van overtuigd geweest, homo of niet.”
Voor een Amsterdamse huisarts had hij door die homo’s vrij veel hiv- en aids-patiënten, maar daar waren weinig studenten bij. Hoe komt dat? “De doorsnee UvA-student komt uit een hoge sociaal-economische klasse, start betrekkelijk laat met seksuele contacten en heeft een lage promiscuïteit, zoals dat heet. Ze hebben wel verschillende partners, maar niet tegelijk. Het is een van de meest voorkomende misvattingen om te denken dat studenten zo’n wild seksleven hebben. Dat is nou juist niét zo. Ik ken ze natuurlijk wel: die knullen die maar achter de meiden of de jongens aanlopen en de nymfomane meisjes die relatief vaak geslachtsziekten hebben, maar dat is een heel kleine minderheid.”
Denk nu niet dat hij vooral mannen op het spreekuur kreeg. Want bij de studentenartsen komen veel vrouwen over de vloer, nog meer dan bij andere artsen, in verband met de grote vraag naar geboorteregeling. Meijman deed zelfs onderzoek naar klachten rond pilgebruik, abortus en gynaecologische problemen. “Ik was nogal vrouwgericht in wat ik deed.”

Is dat niet vreemd voor een homoseksuele arts?
“Zwangerschap en het voorkomen daarvan vind ik een van de mooie kanten van de geneeskunde. Seks, voortplanting en relaties zijn – behalve gewoon – ook precair, gênant en intiem. Bij uitstek een gebied waar veel van je gevoeligheid als dokter verwacht wordt. Het hoort tot het medische trapezewerk. Tegelijk zijn die gebieden ook alledaags. En hoe leuk ik allerlei zeldzame kwalen ook vind, uiteindelijk heb ik het gewone en banale altijd het aantrekkelijkst gevonden. Om daarin toch nog iets voor iemand te kunnen betekenen.”
Verdriet en wanhoop laten zich niet zelden verpakken in een fysieke kwaal. In zijn loopbaan als studentenarts heeft Meijman alle psychosomatische klachten voorbij zien komen die adolescenten zo kunnen krijgen op hun weg naar volwassenheid. Somberheid, angst, slapeloosheid, darmkrampen, maagklachten en heel veel hyperventilatie.
“Dat is angst hè, dat afgeknepen gevoel op je borst en naar lucht moeten happen. Hoofdpijn is ook een typische klacht. Het kwam ook wel voor dat iemand letterlijk een brok in zijn keel voelde en bang was dat daar iets niet goed zat. Als ik dan met een spiegeltje de keel bekeek en het zag er keurig uit, dan vroeg ik wel eens: ‘Is het geen opgekropt verdriet?’ Het is denk ik plezierig voor een patiënt als een dokter begrijpt dat je letterlijk met een dichtgeknepen keel kan zitten. Omdat je liefdesverdriet hebt bijvoorbeeld, en niet weet hoe het verder met je moet.”
Ook zag Meijman met hoeveel ‘koudheid’ deze levensfase vaak gepaard gaat. Het klassieke voorbeeld van de student uit de provincie, die ernaar hunkert om het verstikkende ouderlijk huis achter zich te laten om op eigen benen te staan. “Maar dan zitten ze op zo’n treurige studentenflat en komen ze er na een paar maanden ook nog eens achter dat de gekozen studie niet aan hun verwachtingen voldoet. Ik heb écht mensen gehad die vroegen: heb ik geen bloedarmoede, want ik heb het zo koud. Die hadden een prima hemoglobinegehalte, maar ze hadden het koud en kil in Amsterdam.”

Hoe staat het met de gezondheid van studenten?
“Ze zijn in het algemeen niet te vet, hebben weinig geslachtsziektes en doen vrij veel aan sport. Dat zijn gunstige aanwijzingen voor hun gezondheidstoestand.
Toch hebben ze meer psychosomatische klachten dan hun werkende of werkeloze leeftijdgenoten. Vooral de moeheid onder studenten is kolossaal. Hardnekkige moeheid.
Daar kunnen allerlei verklaringen voor zijn. De nasleep van een virusinfectie bijvoorbeeld zoals Pfeiffer. Veel studenten komen erachter dat ze zich niet prettig voelen aan de universiteit. Soms gaat het om intelligente mensen die moeite hebben om gestructureerd met hun leven om te gaan. Die zijn met zóveel bezig – het denken over de wereld, over hun vakgebied, hun leven – dat het ze letterlijk overloopt. Ik heb tegen menigeen gezegd: ‘Je hebt een te groot hoofd in een te klein lichaam.’
Velen zijn zó moe dat ze niet door kunnen studeren en dat ze vastlopen in hun scriptie. Intellectueel presteren doe je nou eenmaal met je hoofd en als je je duf, moe en futloos voelt gaat dat niet. Daarbij hebben ze een hoge drempel om naar de dokter te gaan, hoger dan werkende jongeren. Uit onderzoek dat ik zelf gedaan heb, blijkt dat vooral mannelijke studenten hardnekkig blijven dooremmeren en als ze dan eindelijk naar de dokter gaan is het al een fors probleem geworden en zijn ze al maanden uit de roulatie. Het is al jaren een hardnekkig probleem en bij een aantal studierichtingen, niet de kleinste, zijn de rendementcijfers enorm laag.”

Daar doe je toch niets aan als studentenarts?
“We hebben hier al heel lang onderzoek naar gedaan. Dit jaar krijgt dat zijn beslag in een systeem waarmee we vroegtijdig studenten gaan opsporen die een hoog risico hebben op psychosomatische klachten. Dat doen we met behulp van vragenlijsten. Ik heb op zijn minst de hoop dat je op die manier een paar mensen uit die vicieuze cirkel kunt halen. Die bieden we begeleiding aan door een arts, psycholoog, decaan of studieadviseur, al of niet in groepsverband. We gaan dit onderzoek houden onder zoveel mogelijk studenten van de UvA en de HvA. Ik zeg ‘we’ want ik zal als begeleider nog betrokken zijn bij dat project van de studentenartsen.”

 Komen studenten nu met andere klachten dan 25 jaar geleden?
“Nee. Wat er met een lichaam en een leven mis kan gaan, is vrij constant. Blaasontstekingen, schimmelinfecties, hoesten, snotteren, alles aan de luchtwegen en ook allergieën zijn van alle tijden. En dan is er de enorme bulk aan anticonceptieconsulten die we hier altijd hebben.
Niet de klachten, maar iets anders is gigantisch veranderd in de loop van die 25 jaar. En dat is hoe patiënten staan tegenover het slikken van psychofarmaca, zoals antidepressiva. Die kon ik in 1980 aan de straatstenen niet kwijt, ook niet aan mensen die er echt ellendig aan toe waren en van wie ik zeker wist dat ik ze met die medicijnen kon helpen. Als ik het voorzichtig voorstelde, zei zo’n patiënt: ‘Frans, je ontkent mijn probleem.’
Nu komen mensen om Prozac vragen voor iets wat in de verte nog niet op een depressie lijkt. Zo moeilijk als ik ze vroeger aan de antidepressiva kreeg, zo moet ik ze die nu vaak uit hun hoofd praten. In individuele gevallen kan het prachtig zijn, hoor. Ik heb mensen echt zien opbloeien door die pillen. Maar de grote schaal waarop nu antidepressiva geslikt wordt vind ik zorgelijk. Dat wij met zijn allen half gedrogeerd door het leven gaan om onze angsten en sombere gedachten te beteugelen waardoor we kunnen uitstralen dat het goed met ons gaat, daar word ik niet echt vrolijk van.”

Patiënten zijn tegenwoordig zo veeleisend, zeggen artsen. Mee eens?
“Nee. Mensen waren vroeger ook veeleisend, maar toen bleef het onder de oppervlakte. Wat veranderd is, is de manier waarop ze hun klachten presenteren en hoe ze met jou als arts omgaan. Ze durven duidelijker te zeggen wat eraan mankeert, wat ze er zelf van denken en wat ze van jou verwachten. Daarin zijn studenten misschien zelfs wel een voorhoede. Vroeger kwamen ze meer met vage klachten en spraken ze hun verwachtingen niet uit. Ze zijn niet alleen berekenender geworden in hun studiegedrag – werken net hard genoeg om hun studiepunten te halen – maar ook efficiënter en zakelijker in de omgang met hun dokter.”

Dat zelfbewuste gedrag kun je wel waarderen?
“Natuurlijk. Het is heel prettig dat mensen meteen vertellen wat voor idee ze hebben over hun klacht. Want ik heb in mijn hele leven nog nooit één patiënt meegemaakt die niet zelf al een beeld had van wat er aan de hand kon zijn, waar hij het meest bang voor was en wat er zou moeten gebeuren. Maar vroeger spraken ze dat niet uit en moest ik moeizaam uitzoeken of mijn advies overeenkwam met wat iemand in zijn hoofd had. Nu zeggen ze: Ik heb pijn in mijn buik, kan ik niet de ziekte van Crohn hebben?”

Komt dat door Internet?
“Dat is een misvatting. Informatie opzoeken deden mensen vroeger ook al; of het nu is in een medische encyclopedie of op Internet. Dat de televisie een aanjager zou zijn van spreekuurbezoek is trouwens ook kletskoek. Het verschil is dat patiënten nu zeggen wat ze vroeger verzwegen.”

Waarom heb je eigenlijk geen afscheidsreceptie gehouden voor je patiënten?
“Dat kon ik niet, op zo’n receptie zou ik vrijwel continu staan janken. Ik raak snel geëmotioneerd. In een consult is het niet functioneel als een dokter gaat zitten meehuilen, maar ik heb de afgelopen weken in de spreekkamer menig traantje geplengd.”

Frans Meijman (1950)

1979 – 2005 Arts bij Bureau studentenartsen van de Universiteit van Amsterdam (UvA)
aan de Oude Turfmarkt, vanaf 1981 ook algemene huisartsenpraktijk.
1993 Proefschrift Kleinschalig wetenschappelijk onderzoek in de huisartspraktijk.
1999 Deeltijdhoogleraar ‘Biomedische wetenschapsvoorlichting en –journalistiek en de geschiedenis daarvan’ aan de Vrije Universiteit/VU medisch centrum. Vanaf 2005 is dit een volledige, vaste aanstelling.

Meijman publiceerde onder andere over medische publieksvoorlichting in en buiten de spreekkamer. Dit jaar zal hij met Herma Coumou een boek over effectieve communicatie tussen patiënt en arts publiceren.

 

[kader 2]

[kopje]Studentenartsen/ huisartsenpraktijk Oude Turfmarkt

[tekst]In menig universiteitsstad zijn ze opgedoekt: de speciale medische voorzieningen voor studenten. Maar de Universiteit van Amsterdam heeft er nog een. Vroeger was hij alleen voor studenten, maar sinds ’81 is het een algemene praktijk waar ook huisartsendienstverlening geboden wordt. Er staan vijftienduizend patiënten ingeschreven, waarvan zevenduizend studenten. Sinds de jaren negentig zijn ook studenten van de Vrije Universiteit (VU) en uit het hbo er welkom. Er werken nu negen artsen.

 

streamer:

‘Een misvatting: dat studenten zo’n wild seksleven hebben’